Voorbeelden van het gebruik van Gezin in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Veiliger gamen voor het hele gezin begint met een goed gesprek.
Het gezin Het kind dat de sigaret wil aansteken.
En het gezin zal er nu niet zijn, hè?
Je hebt geen gezin, je beledigt je familie.
Een gezin met een twee maand oude baby bleef op straat.
Hij vermoordde je gezin, rukte je arm af.
Het is duidelijk een geliefde gezin huis zal een lange geschiedenis.
In de strijd om het gezin staat de mens zelf op het spel.
Wij zijn gezin met twee kinderen die het leuk vinden om te reizen.
De dialoog tussen echtgenoten is essentieel opdat er rust kan heersen in een gezin.
Mijn taak is en je gezin veilig te stellen.
Mensen die het beste willen voor hun gezin.
Ik probeerde enkel mijn land en gezin veilig te houden!
We verbleven 10 dagen in de kleine studio in het prachtige gerestaureerde gezin huis.
We veranderden onze namen, als een gezin.
Op mijn leeftijd had ma al een gezin en een dronken man.
Ideaal voor een gezin.
Haar leven en het leven van haar gezin zijn sindsdien een hel.
Dan was ik nu nog bij m'n gezin.
Ik ga 't gezin beschermen.