Voorbeelden van het gebruik van Het trainen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik was aan het trainen toen je aanklopte.
Ik was aan het trainen toen je aanklopte.
Hij is aan het trainen.
Was jij aan het trainen?
Ik was op het dak aan het trainen.
Ik was op het dak aan het trainen. Dat was ik.
Je bent in mijn huis aan het trainen.
Misschien was ik wel aan het trainen.
Hij is zeker aan het trainen.
Ben je aan het trainen?
Ik ben… aan het trainen.
Nou, Wahle is waarschijnlijk daar tien… keer harder aan het trainen dan jij!
Ik was aan het trainen, hè?
Gratis. En het trainen van een nieuwe bende, jonge heksers.
Ze was aan het trainen.
Hij was je aan het trainen.
Zijn visie op het trainen sprak me aan.
Ik was aan het trainen.
Leer hoe en waarom je tijdens het trainen metingen van bloeddruk en pols moet doen;