Voorbeelden van het gebruik van Jacques in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Jacques, ik moet u spreken.
Jacques, jij komt met mij mee!
Jacques, dat hoef je niet te doen.
Jacques, ik wil u spreken.
Jacques, ik moet je iets vertellen.
Jacques belde over het etentje. Volgende.- Opslaan?
Jacques, ik kan deze maand de lonen niet uitbetalen.
Jacques houdt van linkse wijnen,
Jacques, wij gaan.
Jacques, jij gaat met mij mee.
Jacques, ik weet dat je thuis bent.
Jacques, ik moet je wat vertellen.
Jacques, ik heb toch gezegd
Jacques, wij zijn hier alleen.
Jacques, ik kan niet veel meer eten.
Jacques, dit moet onze laatste stop zijn.
Jacques, je zult nooit beter eten.
Jacques, jij en ik doen nog zaken.
Jacques, ik ben getrouwd.
Het martelaarschap is een beloning, jacques.