Voorbeelden van het gebruik van Jou in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hij heeft jou ogen. Oliver.
Ik verwacht niet dat hij jou iets leert.
Verwacht van jou door je mensen!
Ze is precies jou op die leeftijd.
Wat als jou iets overkomt?
Niemand zal jou ooit geloven?
Ik breng jou aan het lachen.
Hij vindt jou laab, volgens mij.
Simpel gezegd, mijn DNA, dat van jou, dat van Eva, bestaat uit een dubbele helix.
Ik vertrouwde jou.
Zelfs Caravaggio kon jou ogen niet vastleggen.
En jou broer is slecht.
Hij wil jou erbij voor tijdens de uitleg.
Jou iemand van de Blacklist geven.
Ik zeg haar dat ze pizza moet gaan eten met jou.
Maar bij jou zit de schande van binnen.
Ik zei ze dat ik jou was.
Maar dat deed zij voor jou.
Bel je vrienden en ik bel jou.
Jou familie is altijd welkom.