Voorbeelden van het gebruik van Lachen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik lach niet. Niet lachen.
Ik kan er niet om lachen.
En hij laat me lachen.
En toen ik weer kon lachen.
Waar lachen jullie homo's om?
Niet lachen, want het is niet grappig!
dansen, Lachen, en, boven alles, hoop.
Ik weet niet, ze lachen alsof ze iets weten.
Is vast lachen.
Je laat me lachen, Homer.
Sorry, ik wil niet lachen.
Het maakt me niet uit of mensen lachen.
Lachen, jongen. Je bent in Vegas!
Lachen jullie me uit?
Niet lachen om mijn Spaans.
Ook lachen is een vorm van conformisme.
Moet ik dan stom lachen?
Dat wordt lachen.
Ik kan niet eens meer lachen.
Jij? Laat me niet lachen.