Voorbeelden van het gebruik van Onverschillig in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Nee, ik ben niet onverschillig.
Rustig. Je bent onverschillig.
Ik ben niet onverschillig.
Was jij dat?… onverschillig.
Kil en onverschillig.
Ik was onverschillig.
Drie: De mogelijkheid dat de bevolking onverschillig wordt voor de situatie.
Claes deed op z'n best onverschillig tegen Sebastian.
is nu onverschillig.
Koud. Onverschillig.
Maar omdat ik al heel lang onverschillig ben geweest. En dat gevoel ben ik zat.
Ik kan niet geloven hoe onverschillig en egoïstisch hij is. Nee.
Je bent te onverschillig, terwijl je haar nog sprak.
Onverschillig dan.
U bent onverschillig over de dood van anderen…
Volkomen onverschillig. Niet wetende dat we niets weten.
Was dat onverschillig of ironisch?
Voor het ongedierte dat onverschillig op hout of bot kauwde…… betekent het voeding.
De rechtbank is niet onverschillig onder uw welbespraaktheid en passie.
Dat is nogal onverschillig.