Voorbeelden van het gebruik van Schilder in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
En ik schilder hem voor kerstmis.
Ik schilder als ik het wil.
De schilder Josef Tannhauser doopte het 'Genesis2:19'.
Schilder, dit is Naish. Hoor je me?
Hij wil schilder worden.
Mijne was schilder.
Ik schilder de tombes van de profeten.
Ik schilder nu een Portinari.-Oké? Oké.
Geen schilder. Lukt het?
Schilder, dit is Hargreaves.
Niet te geloven dat de schilder hier overleed.
Uiterst rechts onder heeft de schilder zichzelf afgebeeld.
Hier komt de naam schilder vandaan.
Mijn vader is schilder.
Mijn vader was schilder.
Ik schilder nagels.
De zus van die jonge schilder over wie je het had.- Wie?
Ik schilder ze allemaal.
Ik heb de schilder niet gedood.
Ik ben commissaris, geen schilder.