Voorbeelden van het gebruik van Stommerd in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Pap wil je spreken. Opstaan, stommerd.
Hé, bid stommerd.
Kleine paardjes blijven lopen, stommerd!
Stommerd! Dat spel was gelijk uit, hè?
Stommerd! Nou? Dat spel was gelijk uit, hè?
Ik zie haar voor me. Een stommerd.
Ik heb z'n nichtje een stommerd genoemd.
Nee, stommerd. Alleen wij.
Sorry. Stommerd. Ik wilde niet schreeuwen.
Jij, stommerd. Dat is heel volwassen.
Hé stommerd, zeg je niets? Ik sla je tanden eruit!
Dus ga 't niet eens proberen, stommerd.
Pak een taxi, stommerd.
Ik haal hem op, stommerd.
Ik wilde ping-pong spelen de stommerd heeft voetbal gezegd.
Nee, stommerd.
De vork moet hier, stommerd.
Nee, stommerd.
Ben je nog nooit op een vliegveld geweest, stommerd.
Dat staat op m'n steen, stommerd.