Voorbeelden van het gebruik van Bibberen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Het is zo koud dat ik een sneeuwpop zag bibberen.
Maar m'n arm blijft bibberen.
Deze dames laten me bibberen!
Het is zo koud dat ik een sneeuwpop zag bibberen.
Deze dames laten me bibberen!
Ik zag je bibberen.
Deze dames laten me bibberen!
Bibberen van angst is niet mijn stijl.
Ja, het begon met een klein beetje bibberen.
Maar laat het universum bibberen van angst, want ik ben teruggekeerd.
We bibberen in onze schelpen.
Verwachten ze dat we bibberen van angst bij de galg?
Hij zou moeten bibberen als een hond die op een dun laagje ijs poept.
Bibberen en bewegenComment.
Moet ik bibberen? Geen gebibber?
Moet je zijn handen zien, die bibberen.
M'n handen bibberen.
Je handen bibberen.
Kijk, mijn handen, ze bibberen een beetje.
Zou ik moeten bibberen?
