Voorbeelden van het gebruik van Improviseren in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ik zal iets improviseren.
Ik was aan het improviseren terwijl ik ging. Niemand.
Ik moest improviseren.- Creools.
Wildkamperen, je creditcard aanspreken of improviseren.
Dit wissel ik dan altijd af met lekker jammen en puur improviseren.
Zo niet, dan moet ik improviseren.
Wat anders? We improviseren.
Ik was aan het improviseren terwijl ik ging. Niemand.
Toen hij dood bleek moest je improviseren, en Kate de schuld geven.
Is hij aan het improviseren?
Dus we gaan improviseren?
coördineren en improviseren.
Gewoon improviseren.
Laat haar improviseren.
We improviseren steeds.
Toen hij dood bleek moest je improviseren, en Kate de schuld geven.
Je mag niet meer improviseren.
Grady is vast aan het improviseren.
De tijd van improviseren is voorbij.
We moeten improviseren.