Voorbeelden van het gebruik van Pastor in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Denk je dat een pastor nooit liegt?
De pastor kan je daarbij helpen.
Dit is Pastor Edir, hij kwam je helpen.
Pastor Vincent en de meiden.
Heb je geen gevangenis pastor?
kwaadaardige mannen die zichzelf pastor noemen.
En pastor Vincent vond me.
Tim is de pastor van Paige. Alice.-Hoi.
De heer Zeyno verhuisde naar België en werd pastor in plaats van Michael.
Goed. Goed. Goed je te zien, pastor.
Pastor, heb je dit eerder gehoord?
Waarover? Pastor Tim en Alice?
Wat is er, pastor?
Blicher was pastor.
Pastor, mag ik vrijelijk spreken?
Waarover? Pastor Tim en Alice.
Fijn dat je terug bent bij de pastor.- Hé. Hé.
Agent, ik ben hun pastor.
Ja. Ik ben pastor Harlan.
Hé, jongens. Hé, pastor.