Voorbeelden van het gebruik van Koekje in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Wil je een koekje met je thee?
Ik was een koekje aan het eten.
Geweldig, een klein beetje slaapzand en een koekje.
Kijk om het hoekje, hier komt een koekje.
Koffie en een koekje, alstublieft.
Een koekje werkt altijd.
Neem een koekje, m'n moeder heeft ze gemaakt.
Ik wil slechts mijn mobieltje, koekje.
Wilt er iemand, koffie, thee of een koekje?
Een koekje voor de eerste dag?
Hoe maak je een crème koekje koken?
Kom. We nemen een koekje.
Dat koekje maakt jou belachelijk.
Honing Yuzu, artisjok en rabarberhoningkoekje Koekje met peterselie.
Guy wil spelen met natte koekje 07:09.
Je hebt een koekje en wat friet.
Hij gaf me 'n koekje.
een toast of een koekje.
Noem me niet koekje, dan noem ik jou niet cake.
Misschien krijgen we thee en 'n koekje.