Voorbeelden van het gebruik van Koekjes in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Je liegt over de koekjes.
Je kunt me laten zien hoe je huisgemaakte koekjes maakt?
Iedereen versiert. Iedereen bakt koekjes, geeft elkaar cadeaus.
Ik ruik koekjes.
Al goed, ik ga zonder koekjes.
Ze gaven me zelfgebakken koekjes.
Natascha, geen koekjes meer.
En hij rook naar koekjes.
Ik heb helemaal geen koekjes.
Ze drong voor in de rij voor de koekjes.
Ze vertellen verhalen, eten koekjes.
Hoe noemen ze die plakkerige koekjes?
haal dan wat meer van deze koekjes.
Eet dan ook niet zo veel koekjes.
Oke, goed, Kom tenminste binnen en neem wat koekjes.
Achteraan liggen koekjes.
Eigen gemaakte koekjes.
Ik ben van groep 638 en ik verkoop koekjes.
Koekjes kont?
Want elke ochtend wil ik koekjes als toetje.