Voorbeelden van het gebruik van Opletten in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Opletten, of je verliest.
Allemaal goed opletten!
Het wordt waarschijnlijk bewaakt, dus ik wil dat jullie hier blijven en opletten.
King George zegt me dat je moet opletten.
Opletten, want dit gaat knap snel.
Opletten, joh.
Je moet nu opletten, Mike, ik wil
Zoe moeten goed opletten.
Wij moeten goed opletten.
Dus moet ik opletten?
Opletten.
Opletten, dit is m'n dochter.
Opletten, zus.
Opletten, 12 uur.
We moeten goed opletten.
moet je goed opletten.
Stel een strict eetschema op. Opletten en rusten.
Opletten.
Opletten, Matilda.
Opletten, Maggie.