Voorbeelden van het gebruik van Wippen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Een vrouw wippen die jou veracht?
Wippen is nog beter.
Wippen of dood.
Wippen, dood.
Is daar iemand met wie je kan wippen?
Ah, twee honden wippen.
Wil hij liefhebben of wippen?
We gaan wippen!
We gaan wippen!
Of ze kruipen onder de schapen door of de schapen wippen.
U kunt niet steeds in en uit wippen.
Je denkt dat je nog meer kan wippen en drinken?
Zeggen ze nog steeds wippen?
Wilt u dat ik alles stil leg Zodat u even kan wippen?
Is dit wippen?
Scott, wat is wippen?
En dan leert mijn baby wippen.
Ik moest er uit wippen, sir.
Dus die twee zijn aan het wippen?
We vechten en dan wippen we.