Voorbeelden van het gebruik van Zij heet in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Maar zijn vrouw was thuis en zij heet Emma.
Zeg mij hoe zij heet.
Zij heet twaalf vakanties.
Zij heet ook Joanne.
Zij heet Julie.
Zij heet Isabeau d'Anjou.
En zij heet Beth, en dit verdient ze niet.
Zij heet Lisa.
Zij heet Vrouwe Beauchamp, een weduwe die wij onderweg tegenkwamen.
Zij heet Nunnamaker.
Hij is nog steeds getrouwd… zij heet Pamela, en ze wonen in Brentwood.
Zij heet Mary.
En zij heet Sienna.
Zij heet Ashley Thomas.
Zij heet Sanna Kaegler.
Zij heet Liz.
Nee, zij heet Treena.
Zij heet Sha're.
Zij heet Molly en ze komt uit Peru.
Zij heet Twinky.