PREDIGEN - vertaling in Nederlands

prediken
predigen
verkünden
die verkündigung
preken
predigen
predigt
vorträge
reden
moralpredigten
prediking
predigt
verkündigung
zu predigen
predigttätigkeit
verkondigen
verkünden
verkündigen
predigen
sagen
verbreiten
proklamieren
verkuendigen
die verkündigung
preekt
predigen
predigt
vorträge
reden
moralpredigten
predikt
predigen
verkünden
die verkündigung
zeggen
sagen
erzählen
behaupten
nennen
reden
sprechen
erklären
mitteilen
verraten
feststellen
een preek
predigt
eine lektion
vortrag
belehren
eine rede
ne standpauke
eine moralpredigt
predigen
vorhaltungen

Voorbeelden van het gebruik van Predigen in het Duits en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Ecclesiastic category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Computer category close
  • Official/political category close
  • Programming category close
Sie predigen diesen Sonntag, richtig?
Jij preekt aanstaande zondag, toch?
Aber wir leben im Alten. Wir predigen das Neue.
We preken het Nieuwe, maar leven het Oude.
Ich habe ihn predigen sehen.
Ik heb hem zien prediken.
Sie predigen in meiner eigenen Kirche gegen mich?
Predikt u tegen me in m'n eigen kerk?
Sie predigen, dass die Passagiere nicht sterben können!
Jij preekt dat passagiers niet kunnen sterven!
Keiner könnte so predigen wie du, ohne zu wissen, dass Gott.
Je kunt niet preken zoals jij als je niet weet dat… God God is.
Wir praktizieren, was wir predigen.
We brengen in praktijk wat wij prediken.
Wenn Sie wirklich glauben, was Sie predigen, dann tun Sie es.
Als je echt gelooft wat je preekt, zul je dat doen.
Exzesse jeder Art zu vermeiden. Wir predigen die Tugend.
We preken de deugd van het vermijden van elk exces.
Aber er kann auch predigen.
Maar hij kan ook prediken.
Ich kann nicht für Sie auf dem Boot predigen.
Ik kan niet voor je op het water preken.
Stammapostel Schneider wird in Deutsch predigen.
Stamapostel Schneider zal in het Duits prediken.
ich könnte nicht predigen.
ik niet kon preken.
Aber ihr, ihr könnt eure eigene Philosophie überall predigen.
Maar jij, je kunt je eigen filosofie overal prediken.
so dass er dort predigen konnte.
hij daar kon preken.
Die haben noch nie jemanden so predigen hören.
De congregatie van New Bethel zei dat ze nog nooit iemand hoorden prediken zoals ik.
Ich will nicht mehr predigen.
Ik wil niet meer prediken.
Ich weiß nicht mehr, was ich predigen soll.
Ik weet niet wat ik moet preken.
Wir durchqueren das ganze Land und predigen das Wort Gottes.
We reizen door het land en prediken het woord Gods.
Lassen Sie mich mal vor Ihrer Gemeinde predigen.
Waarom laat je me niet preken voor je geloofsgemeenschap.
Uitslagen: 286, Tijd: 0.4216

Top woordenboek queries

Duits - Nederlands