ZEGGEN - vertaling in Duits

sagen
zeggen
vertellen
leiding
laten
baas
noemen
erzählen
vertellen
zeggen
verhaal
over praten
behaupten
beweren
zeggen
stellen
claimen
suggereert
betogen
nennen
noemen
zeggen
geven
heten
naam
vermelden
reden
praten
spreken
hebben
zeggen
toespraken
speeches
sprechen
spreken
praten
hebben
zeggen
woord
pleiten
erklären
uitleggen
verklaren
uit te leggen
vertellen
zeggen
verklaring
beweren
toelichten
legt
mitteilen
vertellen
meedelen
mededelen
zeggen
melden
aangeven
informeren
doorgeven
in kennis stellen
weten
verraten
verraden
vertellen
zeggen
verklappen
onthullen
verklikken
verrader
prijsgeven
veraden
verlinkt
feststellen
vaststellen
merken
constateren
zien
vinden
zeggen
ontdekken
bepalen
stellen
nagaan
h

Voorbeelden van het gebruik van Zeggen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Ecclesiastic category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Computer category close
  • Official/political category close
  • Programming category close
Ze willen wat zeggen via mij.
Sie wollen durch mich reden.
Ik moet Sandro zeggen wat er is gebeurd.
Ich sollte Sandro erklären, was passiert ist.
Hen zeggen dat we hier zijn.
Ihnen mitteilen, dass wir hier sind.
Handelingen zeggen meer dan woorden, zeg ik altijd.
Taten sprechen mehr als Worte, wie ich immer sage.
Dat zeggen m'n vader en m'n ooms.
Das behaupten mein Vater und meine Onkel.
En dat moeten wij zeggen.
Und wir sollen Ihnen sagen, wer das ist.
Meer wil ze niet zeggen.
Mehr will sie nicht erzählen.
Ja. Dat wilde ik je zeggen.
Ja. Deswegen wollte ich mit dir reden.
Ik kan mijn naam niet zeggen.
Ich kann Ihnen nicht meinen Namen nennen.
Ik kan niet zeggen waar ze is.
Ich könnte nie verraten, wo sie ist.
Hij wou er niets over zeggen, maar er was iets aan de hand.
Er wollte es nicht erklären, aber etwas stimmt nicht.
Niet als we haar zeggen dat we het apparaat hebben.
Nicht wenn wir ihr mitteilen, dass wir den Panzerhandschuh haben.
Wat zeggen ze?
Was sprechen sie?
We zeggen niet dat William iemand heeft vermoord. Wauw.
Wir behaupten nicht, dass William der Mörder ist. -Wow.
U zou de titel van de uitgever moeten zeggen.
Sie müssen den Titel und den Herausgeber nennen.
Ik had het niet moeten zeggen.
Ich hätt's dir nicht erzählen dürfen.
Niks vragen, niks zeggen.
Nicht fragen und nichts sagen.
Ik weet het. Ik ga het ze zeggen.
Ich weiß. Ich werde mit ihnen reden.
We kunnen zeggen dat wij allemaal op dezelfde golflengte zitten.
Wir können feststellen, daß wir uns hier im Einklang befinden.
Ze zeggen nooit tegen mij wat ze denken.
Sie verraten mir nie, was sie denken.
Uitslagen: 99912, Tijd: 0.0705

Zeggen in verschillende talen

Top woordenboek queries

Nederlands - Duits