Voorbeelden van het gebruik van Afgaan in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Met je pik spelen terwijl er bommen afgaan.
Het zal niet afgaan.
De klok laat andere valstrikken afgaan.
Wanneer moet ze afgaan?
De bom moet echt in Ego's kern afgaan.
We zorgen dat ze gelijktijdig afgaan.
Het zal afgaan.
Het moet onderwater afgaan.
Hij kan afgaan.
Maar iemand in de kluis moet het alarm laten afgaan.
Met de auto kunnen we de poolzalen een stuk sneller afgaan.
De explosie binnen de silo zal de kernkoppen doen afgaan.
Dus hij wil naar buiten voordat de bommen afgaan.
De bom moet echt in Ego's kern afgaan.
Zou het bom-detector alarm afgaan. Nee, als het een bom was.
Moet jouw mobiel niet afgaan?
Ik zag het pistool afgaan en toen.
Die zal afgaan.
Laten ze de bom niet toch afgaan?
De C-4 van de opslageenheid, het moest afgaan.