Voorbeelden van het gebruik van Afmaken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Morgen zal ik mijn daden in ere afmaken.
Nergens is het veilig, gewoon afmaken dit.
We moeten Daisy afmaken.
Je moeder zou je afmaken.
Iris en ik moeten de gin rummy afmaken.
Ik moet je afmaken.
Ik moet het schaalmodel afmaken en ik kan me niet concentreren.
Ze wilde hier haar opleiding geneeskunde afmaken.
Laten we het afmaken.
Dat doe ik. Ik moet nog even iets afmaken.
Ja, maar hij moest de vierde fase nog afmaken.
Ik moet je baas gaan martelen en afmaken.
Nee, ik moet dit afmaken.
Ik ga deze afmaken.
Maar ik heb me bedacht. lk wilde je niet afmaken.
Laten we dit afmaken nu het nog licht is.
Roma-kinderen ten minste de basisschool afmaken.
Maar je moet die rapportages afmaken.
Laten we dit afmaken.
We moeten het seizoen afmaken.