Voorbeelden van het gebruik van Afmaken in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Laten we dit afmaken.
Het werk afmaken.
We zouden gewoon twee mensen zijn die een gesprek afmaken.
Je moet haar vermoorden, en afmaken wat we begonnen zijn.
Je had me haar moeten laten afmaken, Cray.
We zullen je afmaken!
Wie dat kan, had ons allang kunnen afmaken.
Zal ik het afmaken?
Laten we dit afmaken.
Je kunt iemand niet zomaar afmaken!
Onderwijs: alle Romakinderen moeten ten minste de basisschool afmaken;
Ik wil alleen maar m'n film afmaken.
Je had me hem moeten laten afmaken.
Soms moet je een paard afmaken.
Zwijg of ik laat je afmaken, schoft!
Wacht een ogenblik terwijl ik afmaken.
Je hebt niet je bedankje kaarten afmaken?
Maar ik moet eerst even iets in de keuken afmaken.
Zal ik iemand voor je afmaken?
Ik was bang dat ie zou sterven… voordat jij 'm kon afmaken.