Voorbeelden van het gebruik van Geeft jou in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wie geeft jou cadeautjes?
Wie geeft jou te eten?
Ja. Ze geeft jou de schuld.
Hij geeft jou toch zeker niet de schuld?
Dat geeft jou wat je wilt en wat je verdient.
Hij geeft jou de schuld niet. Dat is waar.
Niemand geeft jou de schuld.
Wie geeft jou een cheque voor een kwart miljoen?
Brodie geeft jou geen boks.
Wat geeft jou die indruk?
Twee maanden en Reddington geeft jou een premiejager?
Het geeft jou een stijve.
Wat geeft jou het recht?
Wat geeft jou het recht om me dit aan te doen?
Ze geeft jou de schuld voor de scheiding.
Dat geeft jou macht.
Niemand geeft jou de schuld!
Wat geeft jou volheid, vrede
Wat geeft jou het recht?
Geeft jou een moment om na te denken dit kan zeer nuttig zijn!