Voorbeelden van het gebruik van Haat in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik haat het bij de Illuminati.
Haat Mike maar.
U haat niet wat ik doe.
Maar dit haat je vast niet.
Haat is de natuur zijn meest perfecte energiebron.
Het voedt de ijskoude rivier van haat die door mijn aderen stroomt.
Ik haat die dingen.
Ik haat het.
Ik haat je, smeerlap.
Haat ik, heb ik, heb ik, haat ik.
Iedereen haat ze en ze sterven alleen.
Niemand haat je meer dan die jongens.
Die haat is wat mij bang maakt.
Die haat heb je nodig.
Mercy Graves ontmaskerde u omdat ze angst en haat wil aanwakkeren.
Ik haat je arrogantie echt.
Ik haat geweld.
Ik haat 't om te gymmen voor de lunch.
Theons vader haat de Starks. Hij zal de jongen overhalen naar onze kant.
Sorry. Haat me niet.