Voorbeelden van het gebruik van Het feest in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Misschien moesten we het feest toch maar geven.
Welkom op het feest, Will.
Ik houd toezicht bij het feest morgen.
Welkom op het feest.
Afgelopen zaterdag was ik naar het feest van baron Burns.
Is het feest nog bezig?
Laat het feest beginnen.
Ik wil het feest niet verpesten. Nee, nee, nee.
Natuurlijk mag je het feest hier geven.
Ken je het feest'alles behalve kleding'?
Het feest is voor haar. Ja.
Ik zeg dat we te laat zullen komen op het feest.
RJ is door drie verschillende meiden gevraagd voor het feest.
Trouwens, mam, ik heb Jessi gevraagd om met me naar het feest te gaan.
Nu is het feest.
Het feest wacht.
We missen het feest. Vrouwe Beauchamp!
Hij wil het feest op de boerderij geven.
Dit wordt het mooiste feest dat we ooit gehad hebben.
Naar het feest van de Allens. Ja, vader.