Voorbeelden van het gebruik van Kan koken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Guy kan koken.
Ik kan koken, en ik was verpleegster.
Donaha kan koken.
Ledereen kan koken.
Het is ongeveer het enige wat ik kan koken.
Je weet dat ik kan koken.
Zegt dat hij kan koken.
Chef Gusteau's kookboek: Iedereen kan koken.
Die dame kan koken.
Wat? Ik kan koken.
Lk kan koken.
Of ik kan koken.
Hou eens even. Ik kan koken en naaien.
Wat ik zeg is waar, iedereen kan koken.
Die jongen kan koken.
Om dat te vieren maakte ik het enige gerecht dat ik kan koken.
Ik kan koken, de kippen verzorgen
Hij zegt dat ik kan koken wat ik wil.
Maar mama kan koken.
We weten beide dat ik niet kan koken.