Voorbeelden van het gebruik van Koker in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hier is jouw koker, en dat is de mijne.
De koker ligt in de auto.
De koker zit vol.
De koker is van 1624.
Vervolgens verstopt hij zichzelf in een koker dat een kanon blijkt te zijn.
Uit de koker kwam de topploeg Dynamo Kiev uit Oekraïne.
Een koker met een pijl die magische wezens aanroept.
Dit is de koker met 140 paintballen.
Hier is jouw koker, en dat is de mijne.
In de koker op de bank.
In de koker op de bank.
Dan kan je je baby bezoeken in z'n koker.
Een vast aangebrachte inrichting om een brand in de koker te blussen.
Eén tamelijk prozaïsch voorbeeld is de koker van een toiletrol.
Zitten er springslangen in deze koker?
Ik moet deze koker.
Heb je die koker nog?
Ik kom met de koker en een getuige.
Waar is de koker?
Aan de kopzijde is de doorsnede van de koker groter dan aan de staartzijde.