Voorbeelden van het gebruik van Opvreten in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hij zou jou vinden voor jij mij vindt en je gezicht opvreten.
De schuld zal haar opvreten totdat ze een wrak is.
Ik wil je morgen opvreten. En overmorgen en overovermorgen.
Mij opvreten?
Mij opvreten? Nu krijg jij op je smoel!
Het zou me opvreten, maar ik zou het doen.
Ze zouden iedereen opvreten, maar ze verwelkomen me.
De Tijd opvreten liever dan erdoor te zijn bezeten.
Hij zal uw schoenen opvreten en uw tapijt onderkotsen.
In China kun je een hond opvreten en niemand die er iets van zegt.
Mannen die dat joch opvreten en hun tanden stoken met z'n botten.
Wilden deze kerels je opvreten.- Toen ik je als kind binnenhaalde.
Dat zal je opvreten.
Had ik 'm maar laten opvreten.
Ik zou hem opvreten.
Toen ik je op Terra oppikte, wilden mijn jongens je opvreten.
Ik kan je wel opvreten.
Ik ga je opvreten.
Hij laat zich niet opvreten door tegenslagen.
Ik kan zo iedereen opvreten.