Voorbeelden van het gebruik van Ruilen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
De Cylons ruilen niet.
Ik wil ruilen.
Ruilen, iemand?
Ik vroeg me af of je wilde ruilen.
Moeten we niet van broek ruilen? Misschien heeft hij mijn benen herkend?
Ze wou een baby ruilen voor haar leven.
Alles wat ik voor eten kon ruilen.
Mijn regering wil wel ruilen voor Nina.
Ruilen voor een appartement dat een kleiner gebied heeft.
Ik zal met jou ruilen.
Misschien moeten jullie dagen ruilen.
Later ruilen we.
Ik heb geen honger, ik wil ruilen.
Ik wil een dag met je ruilen.
Ruilen voor een koopje en terug te brengen veel goodies
Hoe?- Ruilen. Een lijk tegen een lijk?
Ik wil wel met je ruilen, hoor.
Je gaat de auto niet ruilen voor een paard?
Oké, laten we ruilen.
Ik en Big Girl Kunnen ruilen.