Voorbeelden van het gebruik van Trouwen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Trouwen is een illusie!
Wanneer gaan ze trouwen?
En ik die met jou wilde trouwen.
Hij wilde met een getrouwde vrouw trouwen.
Wanneer trouwen jullie?
Als ik ga trouwen, loop ik alleen naar het altaar.
Afstuderen, trouwen, kinderen krijgen, kleinkinderen.
Liefde, trouwen, kinderen krijgen.
Trouwen lost alles op.
mijn broer de Bisschop gaan trouwen met mijn dochters.
Homer Simpson, ik zou graag niet met je trouwen.
Je mag niet met iemand anders trouwen.
Trouwen jullie tweeën in haar kostbare villa?
We mogen pas trouwen als jij getrouwd bent.
Als ik niet ga trouwen, gaan ze Lou nemen.
Steph? Trouwen, wippen, doden.
En trouwen is zeker een ervaring.
Ben ik opstandig als ik met een mooie, intelligente studente wil trouwen?
Phoebe Buffey, wil je met me trouwen?
Richard gaat trouwen.