Voorbeelden van het gebruik van Uitbreiden in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hij zal de Dood uitbreiden en zal het kelen.
De lijst uitbreiden De lijst beperken.
De dialoog met alle bij het proces betrokken partijen uitbreiden.
De Europese infrastructuren uitbreiden en verbeteren.
Goed, we moeten uitbreiden.
We moeten onze kring uitbreiden.
De reeds begonnen liberalisatie van de netwerkindustrieën uitbreiden, vooral in de energiesector; en.
Uitbreiden van statistieken over huizenprijzen;
De lijst uitbreiden De lijst beperken.
Ik wil m'n franchise uitbreiden naar Europa, Azië, Afrika.
We kunnen niet meer uitbreiden, want dat tast de planetaire grenzen aan.
Deze activiteiten moeten de vrijhandelszone uitbreiden.
De zoon van Albrecht IV, Rudolf IV, daarentegen, kon zijn rijk systematisch uitbreiden.
Ik kan uitbreiden.
We moeten ons aanbod uitbreiden.
Uitbreiden van het toepassingsgebied van de EU-milieukeur(Europese bloem) naar landbouwproducten.
Toegang uitbreiden en vertrouwen opbouwen.
Uitbreiden van dekking van statistieken over de dienstensector; en.
Hij wil de Vlakte uitbreiden en als wapen gebruiken.
Schilden uitbreiden.