Voorbeelden van het gebruik van Weer werken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wanneer kom je weer werken?
Ik kan nu weer werken.
Ik ga weer werken.
Wanneer ga je weer werken?
Ze wil snel weer werken.
Dus je komt hier weer werken.
Wanneer kom je weer werken?
Laat. Ik moet weer werken.
En toen kwam je weer werken.
Ik moet maandag weer werken.
En ik ga morgen weer werken.
Ik kom weer werken.
Ik kom morgen weer werken.
Ik ga morgen weer werken.
Je komt weer werken.
Ze moeten de dag erna wel weer werken.
Ik ga afvallen en dan weer werken.
Ik ga weer werken.
We moeten maandag weer werken.
Ze komt volgende week weer werken.