Voorbeelden van het gebruik van Weer doen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ze zal het weer doen.
Lk zou het zo weer doen.
En ik zou het weer doen.
Dat kan ik niet weer doen.
En dat gaat hij zo weer doen.
Ja, en dat zou ik weer doen.
En dat zal hij weer doen.
Ik zou het weer doen.
Morgen moet hij het weer doen.
Ik zou het zo weer doen.
HIj gaat het weer doen.
Ok dan, nu willen ze dat we dat weer doen.
Maar ik moet het weer doen.
Ja. En ik zou het weer doen.
En ik zou het zonder na te denken weer doen.
Wil je dat nu weer doen omdat jij het zwaar hebt?
Ze kan het weer doen.
Wil je dit volgend jaar weer doen?
Ik zal het nooit weer doen.
Moeten we dat weer doen?