Voorbeelden van het gebruik van Zeg hen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Zeg hen dat ik je omkocht.
Zeg hen wat jij hebt gedaan!
Ik zeg hen dat jij onschuldig bent.
Zeg hen dat je me niet kent!
Bel de politie en zeg hen wat er precies gebeurd is.
Zeg hen dat ik niet je kleine jongen ben.
Zeg hen maar dat het ons geld is!
Zeg hen dat je Kirill uitlevert.
Zeg hen dat u voor hen zou sterven,
Zeg hen niets.
Ik ga terug en zeg hen waar je ben, komen ze hierheen en vermoorden je.
Zeg hen maar dat Doug je stuurde.
Maak je mannen klaar, zeg hen niets.
Zeg hen, dat je Amerikaan bent.
Ik zeg hen dat je moeder belde
Zeg hen dat ik naar beneden kom.
Zeg hen dat ik je broer ben, Michelle!
Zeg hen hen allen. Zeg het hen.
Ik bel de politie en zeg hen waar je woont en watje hier doet.
Zeg hen dat ik alles doe, alles.