Voorbeelden van het gebruik van De leraar in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
De leraar van m'n dochter.
Start diggin' ik zal de leraar zijn!
En de leerling word de leraar.
Weet u, ik ben de leraar van uw zoon.
Hij is de leraar van Amber. En hij is geweldig.
De leraar glimlachte;"Ik ben blij dat je dit vraagt.
Ik ben hier de leraar.
De leraar begeleidt de leerling in het onderwijsproces.
Hij is de leraar van Amber.
De leraar glimlachte:‘Ik ben blij dat je dit vraagt.
En zo wordt de leerling de leraar.
Hoi, ik ben Ben de leraar.
Na twee jaar verving hij de leraar en hij nam accordeonles bij Robert Goličnik.
Meneer de leraar, ik ben het, Billu.
Ik ruik de leraar.
Nu ben ik de leraar.
Ik ben tenslotte niet de enige leraar in Parijs.