Voorbeelden van het gebruik van Leraar in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Eén leraar, en vier jongens stierven in de brand.
Ik ben een leraar, ik heb een gezin.
Mijn leraar zei me vuur te zoeken. Vuur.- Wat?
Leraar, mag ik met Carmen praten?
De leraar van Achilles?
Hij is… onze leraar.
Goede leraar en de school ligt in een goede buurt.
Ik wil een leraar zijn voor jongeren.
Hij was een Duitse leraar op Brookfield van 1890 tot 1902.
Lk ben leraar, ik heb een gezin.
De leraar was een lul'.
Mijn vroegere leraar, Gentile de Becchi.
Nee, mijn vader was leraar op school. Wat?
Rectum, zei de leraar, rectum.
En een leraar, ja.
En als mannen leraar willen worden of kinderen opvoeden.
Leraar, je wordt elke dag beter in massages geven.
Zijn vorige leraar, dr. Simmeleman.
En, dok, ik ben leraar.
Hij vroeg me z'n leraar te zijn.