Voorbeelden van het gebruik van Leraar in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Bob Fillion beiden leraar Engels.
Je leraar heeft je deze keer een heel moeilijk boek gegeven.
Ze is de dochter van een leraar en iemand die in een autofabriek werkt.
kok en leraar.
Beiden waren ze leraar aan de Vrije Normaalschool te Torhout.
Heb je iets speciaals met de leraar?
Dat is wat mijn leraar zei.
Onze leerlingen in Verenigde Staten beoordelen hun Engels leraar.
Je leraar vertelde me dat je een wonderbaarlijke artiest bent.
Ze was een vijfde graads leraar.
sommige dokter, sommige leraar.
Alsof ik echt met een leraar uit zou gaan!
Onze leerlingen in Stockholm beoordelen hun Taalcursus leraar.
uw kind zijn of haar eigen Spaanse leraar.
Mijn leraar zei.
Ik ben een kleuterschool leraar.
Ik vroeg me af naar welk soort muziek een leraar luistert.
Onze leerlingen in Bronnitsy beoordelen hun Kunst& Muziek leraar.
Eerst onze prins… nu zijn leraar.
De leraar van Taylor heeft net gebeld