Voorbeelden van het gebruik van Haat hem in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Coach, ik weet… Ik haat hem, Sam.
Albert haat hem.
Hij is prachtig. Ik haat hem.
Ze haat hem zo erg, dat ze hun zoon voor hem verborgen houdt.
Hij is niet mijn vader en ik haat hem.
Ze haat hem voor jaren geleden.
Ik hou van hem en ik haat hem.
Maar Debbie haat hem.
Hij is harteloos! En ik haat hem.
Mijn moeder haat hem.
Nico. Ik haat hem.
Maar mijn vrouw haat hem.
Echt? Ja. Ik haat hem.
Mijn vader haat hem.
Oh, mijn… ik haat hem.
En ze haat hem.
Maar iedereen haat hem.
Haat hem meer dan de laagste adder die ooit rondkroop.
Wat? Ze haat hem méér?
Je haat hem zo veel dat je hem eigenlijk best mag.