Voorbeelden van het gebruik van Haat hem in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik haat hem.
Hij haat hem.
Hij haat mij, ik haat hem.
Mijn familie haat hem, zijn familie irriteert me.
Ze haat hem.
Rocky haat hem alleen maar omdat hij zo knap is.
Als deze plek zo haat hem, waarom vertrek je dan niet?
Je haat hem niet?
Je haat hem, Steven.
Hou van hem of haat hem, veel mensen profiteerden echter van hem. .
Je haat hem, of niet?
Je haat hem, niet?
Niemand haat hem meer dan ik, maar Bill is een goeie vent.
Je haat hem daarom.
Greenpeace haat hem straks ook al.
Haat hem niet, vader.
Hij haat hem voor wat hij hem aandeed.
De nepjury haat hem dus.
Mijn vrouw haat hem om wat hij mijn zoon heeft aangedaan.
Je haat hem.