Voorbeelden van het gebruik van Morgen werken in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ga naar bed. Je moet morgen werken.- Misschien ook niet.
Moetje morgen werken?
Phina moet morgen werken.
Het is al laat en ik moet morgen werken, dus ik.
Ik moet morgen werken.
Je moet morgen werken.
Ik moet morgen werken.
Ik moet morgen werken.
Ik moet morgen werken.
Ik moet morgen werken.
Ik moet morgen werken.
Hij kan niet mee. Hij moet morgen werken.
Je moet morgen werken.
Ik moet morgen werken.
Nee hoor, ik moet morgen werken en ik moet 'n proces bijwonen.
omdat ik weet dat velen van u morgen werken.
Oké, ik moet morgen werken en jij moet waarschijnlijk naar huis.
wat werkt vandaag kan niet morgen werken.
Mr Bank, met alle respect maar u heeft morgen werk.
Nee, ik denk dat Kieran morgen werkt.