Voorbeelden van het gebruik van Zielig in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Wat zielig.
Hij is zielig.
onze eigen goedheid nogal zielig.
Ben ik zielig?
Je bent zielig als je naar hem luisterd.
Zielig meisje.
Het is zielig.
Neergehaald door een zwak… zielig.
Dat is zielig.
Ja, Doris, het is zielig.
Je bent echt zielig, jullie beiden.
Wil jij dit klein zielig visje vervoegen tezamen met zijn dode vader?
Zielig voor hun, mijn Tante Fanny.
Je vindt me maar zielig.
Wat zielig.
vindt u me alleen maar zielig?
Het is zo zielig.
Het is beroemde voor zijn zielig zwak, onbetrouwbaar,
Zielig meisje.
Je bent zielig.