VIVEN DE - vertaling in Nederlands

leven van
vida de
vivir de
leeft van
vida de
vivir de
teren op
viven de
wonen van
habitar de
viven de
leefden van

Voorbeelden van het gebruik van Viven de in het Spaans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Serán verdaderamente monjas si viven del trabajo de sus manos.
Je bent pas echt een monnik als je leeft van het werk van uw handen.
Además, viven de la caza de animales salvajes y la pesca.
Daarnaast leven zij van de jacht op wilde dieren, en visvangst.
Viven de los turistas.
Zij leven van de toeristen.
Él y su familia viven de lo que pueden producir.
Samen met haar familie leeft ze van hetgeen ze zelf verbouwen.
Lo viven de una forma muy pasional.
Ze leven op een erg passionele manier.
Serán verdaderamente monjas si viven del trabajo de sus manos.
Want het zijn pas monniken als zij leven van het werk van hun handen.
Porque, como ves, los humanos viven de creencias.
Want, weet je, mensen leven volgens overtuigingen.
Tengo más dinero y ya no viven de sueldo a sueldo.
Ik heb meer geld en niet meer levend uit het salaris naar salaris.
Hay personas que viven de la coca.
Er zijn mensen die leven op cola.
La mayoría de los habitantes de las islas viven de los ingresos de los familiares que fueron a trabajar a otras islas
De meeste inwoners van de eilanden leven van het inkomen van familieleden die op andere eilanden
Ya no tolero a los jóvenes americanos que viven de sus padres y luego no tienen nada mejor que hacer que lloriquear y quejarse.
Ik ben de jongelui zat die teren op hun ouders… en dan niks anders doen dan klagen.
En el poblado viven de su escasa agricultura
In het dorp leven van hun lage landbouw
Aquí los perros viven de la carne de los suicidas que saltan del puente Blackfriars.
De honden hier teren op het vlees van zelfmoordenaars die van de Blackfriars Brug springen.
La mayoría de los residentes viven de la agricultura y, en concreto,
De meerderheid van de bewoners leven van de landbouw en in het bijzonder van de schapenhouderij,
Aquellos que viven de blogs, promociones
Wie leeft van bloggen, promotie
Pobres como Trabajo, viven de la caridad de los cristianos
De armen als Job, leven van de liefdadigheid van de christenen
tu guía local y observa cómo los lugareños viven de la misa turística.
kijk hoe de lokale bevolking leeft van de toeristische massa.
San Nicolás del Puerto es el municipio más pequeño de la comarca con apenas 750 habitantes, que viven de la agricultura y la ganadería.
San Nicolás del Puerto is de kleinste gemeente in de regio, met slechts ca, 750 inwoners, die leven van de landbouw en de veeteelt.
el 40% viven de las pensiones o del paro.
40% leeft van pensioenen of uitkeringen.
muchas personas en La Palma viven de la fiebre del invierno en el puerto.
veel mensen op La Palma leven van de winterkoorts in de haven.
Uitslagen: 208, Tijd: 0.0531

Woord voor woord vertaling

Top woordenboek queries

Spaans - Nederlands