Voorbeelden van het gebruik van Dat had in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Dat had ze niet gewild.
Dat had ik toch gezegd?
Dat had ik je kunnen zeggen.
Ja, dat had ik.
Maar dat had ik niet verwacht!
Dat had je moet weten, Earl.
Dat had ik niet moeten doen.
Dat had ik niet verdragen.
Dat had ik al begrepen.
Dat had hij altijd al gedaan.
Dat had hij wel gezegd.
Nee dat had niet geklopt.
Dat had ik niet gezegd.
Dat had ik die dag bij me.
Dat had je kunnen zeggen.
Dat had ik nu nooit geloofd.
Dat had ik ook niet van u gedacht.
Dat had ik al begrepen.
Dat had ik niet eerder meegemaakt.
Dat had ik nooit gedacht.