Voorbeelden van het gebruik van Eerbaar in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Het is eerbaar.
Dat is eerbaar.
Ja, je bent zo eerbaar.
Je laat het zo eerbaar klinken.
Hij draait op volledige Klingon mode, eerbaar, sterk en kortzichtig.
wijs en eerbaar zijn.
Fred Johnson is eerbaar.
Mijn mannen zijn eerbaar.
Ik wil eerbaar leven.
Mijn bedoelingen zijn eerbaar.
Schuldig pleiten is niet eerbaar.
Ik heb geen eerbaar leven geleid. Luister.
Eerbaar beroep. Echtgenoot.
Je bent een groot, eerbaar man.
Doen wat juist is, fatsoenlijk, eerbaar.
Ben je geen eerbaar man?
Bent u het ermee eens dat… er niks eerbaar is aan een huurmoordenaar?
Het is duidelijk dat jullie bedoelingen eerbaar zijn.
Ik geef je een thuis, eerbaar werk.
Ik geef je een thuis, eerbaar werk.