Voorbeelden van het gebruik van Haastig in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Niet zo haastig.
Ook niet haastig.
Het gebouw is leeg, alsof iedereen haastig is vertrokken.
Je hebt je vanmorgen haastig aangekleed.
zei de Lori haastig.
Je hebt te haastig gehandeld.
Het lijkt erop dat hij haastig heeft gepakt.
Ja,' zei Alice,'Ik heb ze vaak gezien op dinn-'zij hield zich haastig.
Ze kan het niet uitleggen,"zei de Griffioen haastig.
En alles wijst erop dat ze haastig vertrok.
Nog niet, nog niet!' Het Konijn haastig onderbroken.
De Koning werd bleek en deed haastig zijn boekje dicht.
Je bent te haastig, te hebberig.
sloot zijn note-boek haastig.
Waar moest je zo haastig naartoe?
Hij lijkt wel haastig.
Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is?
Ik vertrok haastig.
Misschien moeten we hier wel haastig vertrekken.
Daarna werden Abu Sufyan en zijn metgezellen haastig naar buiten begeleid van het fort.