Voorbeelden van het gebruik van Hij bezit in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hij bezit ons.
Hij bezit het halve land.
Hij bezit 30 miljoen.
Hij bezit toch een Iand? Dat is die miIjardair.
Hij bezit de helft van de clubs in de stad.
Maar hij bezit ons niet.
Hij bezit mij in elk geval niet!
Hij bezit Banco di Lecco.
Hij bezit de taal niet!
Hij bezit roddelblaadjes!
Hij bezit de plekken waar we wonen.
Hij bezit ze niet, hij houdt ze alleen in de gaten.
Hij bezit mij.
Hij bezit 30 miljoen.
Hij bezit bijna alle havens van de Pacific.
Hij bezit de rijkste kopermijn in dit gebied.
Hij bezit de plaatsen waar we werken.
Hij bezit beide mijnen.
Hij bezit me nu.
Hij bezit een restaurant in Manhattan.