Voorbeelden van het gebruik van Moest voor in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Iemand moest voor haar zorgen.
Ik moest voor hem zorgen voordat hij stierf.
Iemand moest voor hem zorgen.
Je moest voor hem zorgen.
Ik moest voor mama zorgen.
Ik moest voor mijn zoon zorgen,
M'n pa moest voor z'n werk naar Brazilië.
Je moest voor haar liegen?
Je moest voor haar zorgen.
Ik moest voor m'n geluk vechten.
Ik moest voor mezelf zorgen.
Het theaterstuk moest voor iemand bedoeld zijn.
Vitali moest voor Wladimir zorgen.
Ik moest voor haar zorgen.
Ik moest voor een tribunaal verschijnen.
Ik moest voor hem zorgen.
Jij moest voor ons opletten.
En ik was er niet voor haar, en hij moest voor haar zorgen.
En ik was er niet voor haar, en hij moest voor haar zorgen.
Het nooit weten wanneer ze weg moest voor een opdracht.