Voorbeelden van het gebruik van Onwel in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Maar toen werd je onwel.
Ze wordt onwel.
voelt de patiënt zich onwel.
Voel je je onwel?
Ik ben hier namens hem. Onwel, helaas.
Hij is onwel.
Als u met een besmetting onwel bent.
tante Branwell nu ook onwel is. O.
Zei ze dat ze zich onwel voelde?
Hij is vandaag onwel.
Volgens mij word ik onwel.
De koning is onwel.
Als u zich onwel voelt.
Mijnheer, u bent onwel.
Je bent onwel.
Misschien dat je onwel was?
Ik dacht dat hij misschien onwel geworden was.
Mijn kleindochter is onwel, meneer.
Maar ik was even onwel.
Wat wil dat zeggen? Onwel? Wat?