Voorbeelden van het gebruik van Stoer in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Het is zo stoer dat ze het doet.
En wie is zij in het echte leven? Stoer.
Ze was stoer.
Hoewel hij heel stoer is.
Nee? Je bent zelfverzekerd en stoer.
Whisky, wat maakt je zo stoer vandaag Hardin?
Steigerhout is een stoer materiaal waar je heel makkelijk zelf mee aan de slag kunt gaan.
Betrouwbaar, stoer, dapper.
Jij bent ook stoer.
Nu ben je zo stoer niet meer.
Ze zijn wel stoer.
Jouw ma is zo stoer.
Ik ben al jaren stoer.
Ik ben niet half zo stoer als jij.
Jij bent altijd zo stoer.
Je bent stoer, Brooke.
Berouwvol en volgzaam of stoer en onbezonnen?
Je bent stoer.
Ik vond dat heel stoer.
Je wordt stoer.