Voorbeelden van het gebruik van Jouw jongen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Is dat jouw jongen? Hé!- Nu!
Is dat niet jouw jongen, DJ?
Dan ben ik jouw jongen.
Is dat jouw jongen? Hé!- Nu!
Jouw jongen Derrell is.
Hier is nog meer van jouw jongen.
Jouw jongen nam mijn Ffion.
Is dat jouw jongen?
Ik wilde niet dat jouw jongen vermoord werd.
Ik was jouw jongen, dat geloofde ik.
Dus George is niet jouw jongen.
Ik wil hem zien met jouw jongen.
En jouw jongen.
Maar misschien is hij jouw jongen.
En ik wil hem zien bewegen met jouw jongen.
Jouw jongen vertelt me dat hij een atheist is.
Kom je om genade smeken voordat ik jouw jongen uit elkaar trek?
Mijn jongen. Jouw jongen.
Hij was jouw jongen.
Zout. Dat is jouw jongen.