Voorbeelden van het gebruik van Moet afsluiten in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ik moet afsluiten.
Je moet afsluiten en hier weg gaan.
Jongedame, ik moet afsluiten. Alsjeblieft.
Ik moet afsluiten voor het weekend.
Ik moet afsluiten en de lichten uitdoen.
Hij moet afsluiten.
Ik moet afsluiten, Walter.
U moet afsluiten als er storing optreedt.
Windows Movie Maker kan plotseling vastlopen zodat je het programma moet afsluiten.
Hij denkt echt dat je hier je auto moet afsluiten.
Kom je ook? Ik moet afsluiten.
Sorry maar ik moet afsluiten.
Het spijt me maar ik moet afsluiten.
Ok, Tawny, ik moet afsluiten.
Ik begrijp nog steeds niet waarom je de stad moet afsluiten.
Jongedame, ik moet afsluiten.
Neem me niet kwalijk, maar ik moet afsluiten.
Momentje. lk moet afsluiten.
Abi is haar sleutels kwijt, en ik moet afsluiten, dus mag ik de reservesleutel even?
het systeem moet afsluiten als gevolg van onvoldoende voeding,